HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6209
Verstek; aanwezigheidsrecht; correspondentie met ressortsparket. 1. Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat lijdt slechts uitzondering indien aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van dat recht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat o.g.v. een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Voorts geldt dat ingeval door of namens verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de OvJ - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Daarom mag van degene die appèl instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien verdachte in appèl is gegaan maar ook ingeval de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de HR is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in appèl heeft gesteld of is toegevoegd - opdat verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt (HR NJ 2002, 317). 2. Bij de aan de HR toegezonden stukken bevindt zich niet de aan de cassatieakte gehechte kopie van een brief van verdachte (aan het ressortsparket, met het verzoek als correspondentieadres te hanteren X-straat te Y), welke in kopie naar advocaat mr. Z zou zijn gezonden. Verdachte heeft niet overgelegd een kopie van een begeleidend schrijven aan mr. Z noch een ontvangstbevestiging van het ressortsparket van die brief, terwijl hij niet heeft aangevoerd dat hij de brief aan het ressortsparket aangetekend of met bericht van ontvangst heeft verzonden. Voorts blijkt niet dat verdachte, zoals door hem kennelijk is aangekondigd, het desbetreffende bericht per fax heeft verzonden; dienaangaande zijn in ieder geval geen bescheiden overgelegd. Gelet op e.e.a. moet het ervoor worden gehouden dat die brief niet aanwezig was in het dossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling in appèl, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat voormelde brief door het ressortsparket is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt. Het hof was niet gehouden het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. Ook behoefde het hof niet te doen blijken te hebben onderzocht of er grond bestond voor die schorsing.
De uitspraak op rechtspraak.nl