HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6188
1. Art. 125g (oud) Sv, tappen van advocaat tevens verdachte. 2. Poging van advocaat tot uitlokking beïnvloeding getuige. 3. Art. 285a (oud) Sr. 4. Gebruik getuigenverklaring. Ad 1. De r-c is o.g.v. art. 125g (oud) Sv niet bevoegd te bepalen dat gesprekken gevoerd d.m.v. een telefoonaansluiting welke door een advocaat in de uitoefening van zijn beroep wordt gebezigd, worden afgeluisterd of opgenomen. Immers in dat geval moet worden aangenomen dat, vzv. verdachte via die aansluiting contact opneemt met de advocaat, laatstbedoelde t.a.v. hetgeen tussen hem en verdachte wordt besproken bevoegd is zich van het afleggen van een verklaring als getuige te verschonen. Indien echter de advocaat zelf verdachte is, geldt die regel niet (HR NJ 1993, 692). Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat verdachte reeds als zodanig was aangemerkt t.t.v. het afluisteren en opnemen van de gesprekken tussen hem en zijn cliënt X. Gelet daarop en op het feit dat afluisteren en opnemen heeft plaatsgevonden i.h.k.v. het GVO tegen X getuigt ’s hofs oordeel dat bedoelde gesprekken rechtmatig afgeluisterd en opgenomen zijn, niet van een verkeerde rechtsopvatting. De stelling dat de telefoongesprekken slechts hadden mogen worden afgeluisterd i.h.k.v. een tegen verdachte ingesteld GVO, vindt geen steun in het recht (HR NJ 2004, 377). Het hof heeft geoordeeld dat reeds voordat de r-c kennis nam van de tot bewijs gebezigde telefoongesprekken tussen verdachte en X en bepaalde dat de daarvan opgemaakte p-v’s niet zouden worden vernietigd, o.g.v. de toen bekende gegevens t.a.v. verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld m.b.t. art. 285a Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de inhoud van de gesprekken die X met zijn vrouw en met P heeft gevoerd en de getuigenverklaringen in het strafrechtelijk onderzoek tegen X. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat uit de inhoud van het telefoongesprek niet kan worden afgeleid dat X reeds voordat verdachte tijdens het telefoongesprek de aan het slot van de bewezenverklaring aangeduide inlichtingen verschafte, het voornemen had de getuige Y i.v.m. het geplande verhoor van de r-c te beïnvloeden. Verder heeft het hof overwogen dat uit dat gesprek blijkt dat verdachte X stuurt in de richting van een beoogde instructie van de getuige Y. Op grond daarvan concludeert het hof dat verdachte door X te instrueren zoals vermeld, heeft gepoogd X uit te lokken tot beïnvloeding van de getuige Y. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Ad 3. De omstandigheid dat getuige Z reeds enige dagen vóór de bewezenverklaarde beïnvloeding was gehoord door de r-c, staat niet in de weg aan het toekennen van redengevende kracht aan haar verklaring dat zij na het verhoor door de r-c door verdachte is benaderd. Immers de bewezenverklaring ziet geheel in de lijn van de wetsgeschiedenis van art. 285a (oud) Sr ook op beïnvloeding van de getuige om terug te komen op een eerder afgelegde verklaring of die verklaring te wijzigen. Ad 4. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1994, 427. Uit de verklaring die getuige Z heeft afgelegd bij de r-c blijkt niet dat zij aldaar haar bij de politie afgelegde verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten daarvan afwijkende en ontlastende verklaring heeft afgelegd. Het hof was daarom niet gehouden Z als getuige op te roepen voor de terechtzitting, en kon zonder meer gebruik maken van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl