HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6178
Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat aan verdachte een bevel is gegeven ex art. 163 WVW 1994 medewerking te verlenen aan een onderzoek ex art. 8.2.a van deze wet. Blijkens die bewijsmiddelen is immers aan verdachte door de opsporingsambtenaar gevraagd zijn medewerking aan bedoeld onderzoek te verlenen, waarna verdachte vrijwillig is meegegaan naar het politiebureau, waar aan verdachte vervolgens door de opsporingsambtenaar is verzocht 'even te blijven wachten' (waarna verdachte het bureau heeft verlaten). Deze verzoeken scheppen voor verdachte niet de verplichting zijn medewerking aan de voorgenomen ademanalyse te verlenen, omdat blijkens het wettelijk stelsel slechts de bestuurder aan wie het in art. 163.1 WVW 1994 bedoelde bevel is gegeven, verplicht is ademlucht te blazen in het voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Daarom is de bewezenverklaring wat betreft het onderdeel "door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 8 en/of 163 van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit alcohol-onderzoeken ondernomen handelingen" onvoldoende gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl