HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871

Poging doodslag; voorwaardelijk opzet. 1. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - i.c. de dood - is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. 2. Het hof heeft vastgesteld dat de afstand tussen verdachte en het slachtoffer bij het 1e schot zo’n 6 meter betrof en dat die afstand bij het 2e schot aanmerkelijk minder dan 30 meter is geweest. Voorzover het middel klaagt dat het hof uit het voor het bewijs gebezigde deskundigenrapportniet heeft kunnen afleiden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard gelet op wat dat rapport inhoudt omtrent de gevolgen bij het schieten op een afstand van 30 meter, wordt miskend dat het hof het rapport in zoverre slechts heeft gebruikt als uitgangspunt n.a.v. zijn gedachtegang en in dat verband heeft vastgesteld dat er ook bij een schot op 30 meter afstand met eenzelfde wapen als door verdachte is gebruikt, kans op dodelijk letsel aanwezig moet worden geacht, omdat de kogeltjes bij die afstand nog 6,5 centimeter in het spierweefsel kunnen doordringen en bijvoorbeeld de halsslagader kunnen treffen. ’s Hofs oordeel dat verdachte, die op de door het hof vastgestelde afstand 2 maal gericht op het slachtoffer heeft geschoten, waarbij het slachtoffer is geraakt in achterhoofd en schouder, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden, is onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen