HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4087
‘s Hofs oordeel dat de curator bevoegd is zich t.b.v. de gezamenlijke schuldeisers als benadeelde partij in het onderhavige strafgeding te voegen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (HR NJ 2003, 377). De omstandigheid dat niet de gefailleerde maar een derde verdachte is kan daaraan niet afdoen. Ook overigens is ’s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de curator van de failliet verklaarde zoon van verdachte vergoeding heeft gevorderd van de schade die verdachte a.g.v. het hem tenlastegelegde feit (het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk) rechtstreeks heeft toegebracht aan de daardoor benadeelde gezamenlijke schuldeisers van zijn zoon.
De uitspraak op rechtspraak.nl