HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1589

Verduistering ex art. 322 Sr. 1. ’s Hofs oordeel dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk zich geldbedragen heeft toegeëigend door daarover zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester te gaan beschikken, getuigt niet van een onjuiste uitleg van art. 322 Sr terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de geldbedragen in haar zak stopte nadat zij de consumpties op de kassa had aangeslagen en de kassalade had geopend. De omstandigheid dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat verdachte de geldbedragen buiten het pand van X heeft gebracht, doet daar niet aan af. 2. Art. 322 Sr vordert niet dat het verduisterde goed toebehoort aan degene tot wie verdachte in een persoonlijke dienstbetrekking staat (HR NJ 1930, p. 1532). Voldoende is dat verdachte het geld in beheer heeft gekregen vanwege en in haar functie van werkneemster.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen