HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0361

Ontnemingszaak. 1. Getuigenverzoek; maatstaf en specifieke karakter ontnemingsprocedure; bewijslastverdeling. 2. Afwijzing getuigenverzoek ontoereikend gemotiveerd. Ad 1. Maatstaf voor de beoordeling van het getuigenverzoek van de raadsman is ex art. 288 (oud) Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat betrokkene in zijn verdediging wordt geschaad door het achterwege blijven van die oproeping. De hantering van die maatstaf in een ontnemingsprocedure kan niet los worden gezien van het specifieke karakter van een zodanige procedure. De vordering zal doorgaans - meer i.h.b. wat betreft de berekening van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel - mede zijn gebaseerd op financiële rapportage, terwijl in de ontnemingsprocedure, meer dan in de hoofdzaak, de nadruk zal kunnen liggen op wisseling van schriftelijke stukken door de procespartijen. In art. 511d.1 en art. 511g.2.b Sv is dan ook voorzien in een schriftelijke voorbereiding voorafgaande aan de behandeling van de vordering ter terechtzitting. Voorts is op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het in de hoofdzaak geldende bewijsrecht niet van toepassing. Die schatting dient weliswaar te worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, maar voor de vaststelling van het uiteindelijke bedrag geldt het aannemelijkheidsvereiste. Gelet op het karakter van de ontnemingsprocedure en op hetgeen de wetgever t.a.v. de positie van de procespartijen en de "bewijslastverdeling" voor ogen heeft gestaan, moet worden geoordeeld dat de rechter die in een ontnemingsprocedure voor de vraag wordt gesteld of redelijkerwijs valt aan te nemen dat betrokkene niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van een verzochte getuige, mede in zijn oordeel kan betrekken of het desbetreffende verzoek van de verdediging - in het licht van de door het OM aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens - voldoende is onderbouwd. De aan een dergelijke onderbouwing te stellen eisen zullen daarbij door de rechter afhankelijk mogen worden gesteld van de mate waarin hij het standpunt van het OM, gelet op de door deze gepresenteerde gegevens en berekeningen, voorshands aannemelijk acht (HR NJ 2003, 97). Ad 2. Voorzover het hof aan de afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag heeft gelegd dat de veroordeling van betrokkene in de hoofdzaak ziet op de gehele periode 1-3-93 t/m 27-3-98, kan ‘s hofs beslissing niet in stand blijven nu de HR in cassatie in de hoofdzaak heeft overwogen dat het hof heeft geoordeeld dat de aan betrokkene verweten deelneming aan de desbetreffende organisatie in feite heeft plaatsgevonden in het tijdvak van 15-11-97 t/m 27-3-98. Ook voor het overige schiet de motivering van de afwijzing van het verzoek tekort. Het hof is ervan uitgegaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is voortgevloeid uit feiten die zijn begaan in de periode van 1-3-93 t/m 27-3-98. Gelet daarop heeft het hof aannemelijk geoordeeld dat betrokkene zich in de periode vóór 15-11-97 schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten als waarvoor hij is veroordeeld en dat hij daarmee voordeel heeft behaald. In aanmerking genomen dat betrokkene niet het recht kan worden ontzegd om zich i.h.k. van het onderzoek naar de aannemelijkheid van die soortgelijke feiten en/of het daarmee behaalde voordeel te verdedigen en in dat kader getuigen te doen horen, en gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de opgegeven getuigen, is ‘s hofs oordeel dat moet worden aangenomen dat betrokkene redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van de opgegeven getuigen, zonder nadere doch ontbrekende motivering onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen