HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0359
Verjaringstermijn ex art. 72.2 Sr en reikwijdte art. 73 Sr. Het tenlastegelegde betreft een overtreding die heeft plaatsgevonden op 16-1-99. Op 6-10-05 heeft het HvJ EG uitspraak gedaan n.a.v. het arrest van de HR van 23-12-03 (LJN AL4343). Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art. 73 Sr ertoe te voorkomen dat het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt ingeval “in een aanhangig strafgeding een geschil [rijst], dat door eene andere magt moet worden uitgemaakt, voordat de strafregter kan beslissen”. Gelet op die strekking van art. 73 Sr moet worden aangenomen dat de verjaring ook is geschorst hangende de beantwoording van prejudiciële vragen die de strafrechter in het bij hem aanhangige strafgeding heeft voorgelegd aan een daartoe bij verdrag aangewezen instantie. I.c. leidt dat ertoe dat de verjaring a.g.v. de schorsing niet heeft gelopen gedurende de periode vanaf het wijzen van het arrest van de HR tot het wijzen van het arrest van het HvJ EG. Art. 72 Sr is gewijzigd bij wet van 16-10-05 en inwerking getreden per 1-01-06. Die wet bevat – afgezien van art. III waarin is bepaald dat de wetswijziging geen gevolgen heeft voor feiten die vóór haar inwerkingtreding zijn verjaard, welk geval zich hier niet voordoet – geen bepalingen van overgangsrecht. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn ex art. 72 Sr, zoals dat thans luidt, in het onderhavige geval ten hoogste twee maal 2 jaar beloopt. Het recht tot strafvordering is derhalve wegens verjaring vervallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl