HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0312
Het delict is gepleegd vóór inwerkingtreding op 1-10-2002 van de Wet partiële wijziging zedelijkheidswetgeving waarbij het klachtvereiste dat onder meer t.a.v. art. 245 Sr gold, is vervallen en waarbij het hoorrecht ex art. 167a Sv is ingevoerd, waarbij opmerking verdient dat uit de stukken van het geding bezwaarlijk anders kan volgen dan dat door de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer t.z.v. het feit een klacht is gedaan. ’s Hofs oordeel dat art. 167a Sv van toepassing is, is onjuist. Dat behoeft niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft het verweer terecht verworpen dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het niet heeft voldaan aan art. 167a Sv.
De uitspraak op rechtspraak.nl