HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9381

Antilliaanse zaak. 1. Levenslange gevangenisstraf opgelegd aan verstandelijk gehandicapte van 53 jaar met IQ van 60 onvoldoende gemotiveerd. 2. Aanhaling niet toepasselijk wetsartikel. Ad 1. ‘s Hofs overwegingen komen daarop neer dat het hof enerzijds de conclusie van de psychiater omtrent de verminderde toerekensvatbaarheid van verdachte heeft overgenomen, doch dat, gelet op de bij het ontbreken van behandelmogelijkheden grote gevaar van recidive, niet kan worden ontkomen aan de oplegging van levenslange gevangenisstraf. De HR stelt voorop dat, hoewel een regeling vergelijkbaar met die van de Nederlandse tbs met last tot verpleging al sedert 1954 in het SrNA is opgenomen en wel in de art. 39.3 en 39a e.v., die regeling nog niet in werking is getreden. Het hof heeft, gelet op hetgeen naar voren is gekomen omtrent de geestvermogens van verdachte, overwogen een tijdelijke gevangenisstraf op te leggen doch heeft daarvan afgezien en een levenslange gevangenisstraf opgelegd omdat verdachte als niet behandelbaar wordt aangemerkt en derhalve een groot recidivegevaar van verdachte blijft uitgaan. De strafoplegging is, gelet daarop, onvoldoende gemotiveerd. Immers, de enkele omstandigheid dat verdachte thans niet behandelbaar is, brengt op zichzelf niet mee dat het gevaar dat van verdachte bij verblijf in de vrije samenleving uitgaat - gelet op diens persoonlijkheid en diens in het verleden niet onder controle te krijgen drankmisbruik - na de tenuitvoerlegging van een tijdelijke gevangenisstraf niet op een andere wijze kan worden gekeerd, bijvoorbeeld door opname in de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling, en dat dus een levenslange gevangenisstraf onvermijdelijk is. Daar komt bij hetgeen in de onderhavige zaak - geschraagd door een op verzoek van het OM uitgebracht rapport - is aangevoerd, kennelijk daartoe strekkende dat - gelet op de persoon van verdachte - het gevaar dreigt dat de gevorderde levenslange gevangenisstraf ertoe leidt dat verdachte in strijd met art. 3 EVRM in een mensonwaardige situatie terecht zal komen, terwijl ‘s hofs arrest geen blijk geeft van een onderzoek terzake. Ad 2. De aanhaling van een niet toepasselijk wetsartikel heeft geen nietigheid tot gevolg (HR NJ 1990, 314).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen