HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9152
Uitlevering ter tenuitvoerlegging aan Noorwegen. De uitleveringsrechter dient bij de beoordeling van een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende Staat. Het staat hem - ingeval aan die veroordeling een uitleveringsprocedure is voorafgegaan - niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of bij die veroordeling het specialiteitsbeginsel in acht is genomen. Dit kan slechts anders zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante schending van door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten. Daaromtrent is blijkens het pv van de zitting van de rb door of namens de opgeëiste persoon echter niets aangevoerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl