HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8299

WOTS-zaak. Conclusie A-G: 1. Verzwaring strafrechtelijke positie; waarschijnlijkheid Halbstrafe. 2. Maatstaf voor omzetting. Ad 1. Het onderzoek dat de rechter moet instellen als veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verzwaard ex art. 11.1.d, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging (HR NJ 2000, 334 en LJN ZD0883). I.c. heeft de rb het hiervoor bedoelde onderzoek verricht en heeft zij o.g.v. hetgeen haar bekend was m.b.t. de omstandigheden van de zaak geoordeeld dat zich niet voordoet het geval dat veroordeelde bij tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf in de Staat, waarin hij veroordeeld is, met een grote mate van waarschijnlijkheid vervroegd in vrijheid zou worden gesteld na ommekomst van de helft daarvan. Dit oordeel is zodanig verweven met oordelen van feitelijke aard dat het in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dat laatste geldt ook voor de door de rb aan haar oordeel ten grondslag gelegde uitleg van vreemd recht (art. 79.1.b, RO). Ad 2. Ingevolge HR NJ 2004, 404 dient art. 31.1 WOTS aldus te worden verstaan, dat de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden (HR NJ 1995, 199). Bij de bepaling van de opgelegde straf heeft de rb niet alleen rekening gehouden met internationale gevoeligheden, maar kennelijk ook als zelfstandige, niet tot de internationale gevoeligheden te rekenen factor in aanmerking genomen dat de Nederlandse overheid ervoor waarschuwt dat aan het plegen van strafbare feiten m.b.t. verdovende middelen in het buitenland gezien de straffen die daar plegen te worden opgelegd, grote risico's zijn verbonden en dat de veroordeelde door de feiten in Duitsland te begaan het risico heeft genomen zwaarder te worden gestraft dan wanneer hij het feit in Nederland had begaan. Die omstandigheid mocht de rb bij de oplegging van de straf laten meewegen zoals de rechter die omstandigheid ook mag laten meewegen wanneer de verdachte in Nederland terecht staat voor een in het buitenland gepleegd strafbaar feit. HR: 81 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen