HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8270

Ongeoorloofde conclusie in bewijsmiddel. Het middel keert zich tegen de verklaring van A voorzover deze inhoudt: “U vraagt mij welke mening ik nu heb over de aangifte die [het slachtoffer: X] deed in 2000. Ik geloof haar nu wel. [Verdachte] zal best wel aan de tieten van X gevoeld hebben” en tegen de verklaring van B, voorzover deze inhoudt: “Ik had niet het gevoel dat het verhaal van X verzonnen was. Uit dat verhaal en het gedrag van X werd mij duidelijk dat X slachtoffer was van seksueel misbruik.” De in de middel gewraakte onderdelen van de verklaring van A behelzen een mening onderscheidenlijk een conclusie omtrent door de verdachte gepleegd seksueel misbruik en kunnen daarom niet worden aangemerkt als verklaringen omtrent hetgeen die persoon zelf heeft waargenomen of ondervonden. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Het hof heeft de verklaring van B kennelijk in die zin verstaan - hetgeen niet onbegrijpelijk is - dat deze getuige daarmee te kennen heeft gegeven dat, zowel door hetgeen X haar had verteld als door X’s gedrag, voor haar duidelijk was geworden dat X omtrent het seksueel misbruik de waarheid had gesproken. Aldus verstaan bevat bedoelde verklaring niets wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van hetgeen B zelf heeft waargenomen of ondervonden, zodat het middel in zoverre faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl