HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8098
1. “publiek” ex art. 82 Wtk 1992. 2. Vordering benadeelde partij niet van eenvoudige aard. Ad 1. Art. 82 Wtk 1992 beschermt niet de professionele marktpartijen, aangezien deze worden geacht zelf voldoende in staat te zijn de financiële soliditeit van de instelling waaraan zij hun gelden toevertrouwen, te beoordelen. Een particuliere belegger, al dan niet beleggend d.m.v. een rechtspersoon, moet in beginsel als “publiek” worden aangemerkt en niet tot de “professionele marktpartijen” worden gerekend. ’s Hofs oordeel dat de inleggers kunnen worden aangemerkt als “publiek” ex art. 82.1 Wtk 1992, is onjuist noch onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat het hier geheel of ten dele om professionele marktpartijen gaat. Daaraan doet niet af dat sommige slachtoffers aanzienlijke bedragen hebben ingelegd. Dat strookt met de t.t.v. de bewezenverklaarde feiten in werking getreden vervallenverklaring van de vrijstelling van het verbod van art. 82 Wtk 1992 voor opvorderbare gelden van meer dan f 100.000,-. Ad 2. Het hof heeft overwogen dat t.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen vragen rijzen over o.m. de causaliteit, de hoogte van de vorderingen en de mogelijke eigen schuld van de benadeelden. In het licht daarvan is ‘s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering aangezien die vorderingen niet van zo eenvoudige aard zijn dat zij zich lenen voor behandeling in het strafgeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl