HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785
1. Bewaring t.b.v. rechthebbende (van 3.63 karaat briljant). 2. Geschrift benadeelde partij in cassatie. Ad 1. In de in art. 353.1 Sv bedoelde gevallen wordt een ex art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp a) teruggegeven aan de beslagene tenzij b) er een ander is die redelijkerwijs als rechthebbende op dat voorwerp kan worden aangemerkt, in welk geval dat voorwerp aan die ander wordt teruggegeven, doch c) het staat de rechter vrij de bewaring van dat voorwerp t.b.v. de rechthebbende te gelasten, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat de beslagene daarop geen recht heeft en er geen ander is die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (HR NJ 2003, 19). In ’s hofs oordeel ligt besloten dat de benadeelde partij niet als redelijkerwijs rechthebbende op de diamant kan worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het hof de teruggave aan verdachte had dienen te gelasten, tenzij het van oordeel was dat aannemelijk is dat verdachte geen recht heeft op dat voorwerp. Het hof had daarom niet in het midden mogen laten of de diamant “toebehoort aan de verdachte en/of diens familie” maar had dienen te onderzoeken of aannemelijk is dat de verdachte niet als rechthebbende op dat voorwerp kan gelden. Ad 2. Namens de benadeelde partij heeft een advocaat een geschrift ingediend. Hierop kan echter geen acht worden geslagen, aangezien – anders dan art. 437.3 Sv eist – dit geschrift niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen over een rechtspunt dat de vordering van die partij betreft.
De uitspraak op rechtspraak.nl