HR 7 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5756
Vervolg op HR NJ 2004, 364. 1. ’s Hofs oordeel dat voor verdachte (politieagent) een rechtsplicht bestond in het pv van aanhouding van X melding te maken van het richten van het dienstwapen op Y is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft geoordeeld dat het richten van het dienstwapen op Y redelijkerwijs van belang kon zijn voor de door de OvJ te nemen beslissing omtrent de vervolging van X en/of Y t.z.v. art. 141 Sr en voor de door de rechter in een strafzaak van X en/of Y te nemen eindbeslissing. 2. ‘s Hofs standpunt dat sprake is van een valse verklaring berust (i) op het oordeel dat voor verdachte een rechtsplicht tot het vermelden van het gebruik van het dienstwapen bestond en (ii) op de door het hof als feitenrechter vastgestelde omstandigheid dat in het pv van aanhouding minutieus verslag is gedaan van “de overige door hem verrichte handelingen ter afwering van het geweld, te weten het geven van een trap tegen het been van Y en het afweren van de slagen van de met een riem omwikkelde hand van Y met behulp van een staafzaklantaarn”. Door aldus te overwegen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het zijn standpunt toereikend gemotiveerd. 3. Uit door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte noch uit de overige bewijsmiddelen kan het bewezenverklaarde opzet zonder meer worden afgeleid. Weliswaar kan daaruit volgen dat verdachte in het desbetreffende pv opzettelijk geen melding heeft gemaakt van het gebruik van het dienstwapen maar niet dat hij, die melding nalatende, het (voorwaardelijk) opzet had op de schending van de hiervoor bedoelde rechtsplicht. Aldus was zijn opzet evenmin gericht op de totstandkoming van een valse voorstelling van zaken m.b.t. de ernst van het door Y gepleegde geweld. In zoverre is ’s hofs uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De uitspraak op rechtspraak.nl