HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3490

Aanwezigheidsrecht / detentie kort voor en tijdens de terechtzitting in eerste aanleg / verstekbehandeling in eerste aanleg en in appèl. Gang van zaken: op 3-1-04 is de dagvaaring voor de terechtzitting in eerste aanleg in persoon uitgereikt. Een aan de schriftuur gehechte brief van 22-5-05 van het arrondissementsparket houdt in dat verdachte op 28-2-04 in verzekering is gesteld, hij tot 4-3-04 op het politiebureau en vervolgens tot 10-4-04 in een P.I. heeft verbleven. In eerste aanleg is verdachte noch een raadsman verschenen en is hij bij verstek veroordeeld. Verdachte heeft op 8-3-04 vanuit detentie appèl ingesteld. Op 16-06-04 is de appèldagvaarding aan de griffier uitgereikt. Verdachte was vanaf 19-04-04 vertrokken naar land onbekend. In appèl is verdachte noch een raadsman verschenen en is hij bij verstek veroordeeld. HR: 1. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan verdachte in persoon is betekend en verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (HR NJ 2002, 317). Gelet daarop kan niet worden aangenomen dat, in het geval de rechter in eerste aanleg klaarblijkelijk van dit vermoeden is uitgegaan en de zaak bij verstek heeft behandeld, het hof - indien noch verdachte noch een raadsman ter terechtzitting in appèl is verschenen - verplicht is een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de beslissing van de eerste rechter om de zaak bij verstek af te doen. 2. In het geval de rechter van het voorbedoelde vermoeden is uitgegaan, bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat feitelijk aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, hoewel in persoon gedagvaard, ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg voor een andere strafzaak in verzekering was gesteld en op het politiebureau verbleef zonder dat dit de rechter bekend was. Hierbij verdient opmerking dat in elk geval een in eerste aanleg gemaakte inbreuk op het recht van verdachte om bij de berechting aanwezig te zijn wordt hersteld door een behandeling in appèl in zijn aanwezigheid. Hier heeft ook de behandeling in appèl bij verstek plaatsgevonden. De dagvaarding in appèl is op de wettelijk voorgeschreven wijze betekend aan de Griffier van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Verdachte heeft appèl ingesteld toen hij verbleef in het HvB en heeft zich na zijn invrijheidstelling laten uitschrijven uit het GBA met als vermelding "land onbekend", welke registratie ook nog gold ten tijde van de appèlbehandeling. Niet blijkt dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat een dagvaarding voor de terechtzitting in appèl hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Gelet op een en ander moet hij geacht worden alsnog afstand te hebben gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen