HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446

Buitenlandse startinformatie. Feiten: In GB is door Britse douaneambtenaren - zonder wetenschap of bemoeienis van Nederlandse opsporingsambtenaren of ambtenaren van het OM - een strafrechtelijk opsporingsonderzoek ingesteld naar de criminele activiteiten van o.m. X. In het kader van dat onderzoek heeft X informatie gegeven over Nederlandse personen. Deze inlichtingen zijn door de Britse autoriteiten ter kennis gebracht van de Nederlandse autoriteiten. Op grond van deze startinformatie is vervolgens in Nederland een opsporingsonderzoek gestart naar o.a. verdachte. Het door het hof gebezigde bewijsmateriaal is in het kader van dat onderzoek verkregen. Voorop moet worden gesteld dat onder de genoemde omstandigheden de Nederlandse autoriteiten op die startinformatie mochten afgaan in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in GB enig gebrek zou kleven, zulks - behoudens bijzondere omstandigheden - niet tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ in zijn strafvervolging kan leiden. Hetgeen in het verweer is aangevoerd (in GB criminele burgerinfiltrant gebruikt) kan niet als een zodanige bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen