HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3961
Ontvankelijkheid verdachte in appèl. Begrijpelijke verstekmededeling. Hof: verdachte heeft vanaf 20-12-89 in totaal 23 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en is op 16-11-90 bij verstek veroordeeld; dit niet-onherroepelijke vonnis is op 31-12-91 door een mededeling ex art. 366 Sv aan verdachte – die toen de Nederlandse taal niet beheerste, kort voor zijn uitzetting – in persoon betekend, op zodanige wijze dat hij heeft moeten begrijpen dat hem mededelingen over een tegen hem gewezen vonnis werden gedaan; op 19-3-04 heeft verdachte, tardief, appèl ingesteld. Conclusie AG: uit EHRM NJ 1994, 26, blijkt dat art. 6 EVRM niet zonder meer meebrengt dat verdachte recht heeft op een schriftelijke vertaling van het vonnis. Het gaat erom dat verdachte voldoende te weten kan komen over de zaak tegen hem, zodat hij zich kan verdedigen. Met het oog daarop moet voldoende vertaling plaatsvinden. In het algemeen zal met vertolking van de korte inhoud van relevante processtukken kunnen worden volstaan. Het hof heeft geoordeeld dat uit art. 6 EVRM geen onbeperkt recht op vertaling van processtukken kan worden afgeleid en dat het ontbreken van een vertaling van het verstekvonnis als zodanig geen schending van art. 6 EVRM oplevert, maar dat wel op zodanige wijze in een voor verdachte begrijpelijke taal moet worden gecommuniceerd dat de essentie van de zaak hem duidelijk is geworden. ‘s Hofs oordeel dat verdachte heeft moeten begrijpen dat hem mededelingen werden gedaan over het tegen hem gewezen strafvonnis, is onjuist noch onbegrijpelijk (HR NJ 2004, 551). HR: 81 RO.
De uitspraak op rechtspraak.nl