HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2230

Ontnemingszaak; kostenverweer. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel door of namens betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in geval van verwerping van dat verweer in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij – al dan niet gedeeltelijk – voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (HR NJ 2002, 124). Het hof was van oordeel dat de opgevoerde kosten voor de inrichting van de hennepkwekerijen, de aanschaf van zeecontainers en de huur/hypotheek voor de panden waarin de kwekerijen waren gevestigd niet voor aftrek in aanmerking kwamen. Wat betreft de kosten van de hypotheek en de zeecontainers is ’s hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. Wat betreft de inrichtingskosten en de huurkosten is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. Inrichtingskosten kunnen op zichzelf in de vorm van afschrijvingskosten voor aftrek in aanmerking komen, zodat het hof nader had moeten motiveren dat van een zodanige aftrek i.c. geen sprake kan zijn. ’s Hofs oordeel dat de huurkosten “op meerdere andere wijzen dan voor de hennepkweek dienstig kunnen zijn geweest en het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt” behoefde nadere motivering gelet op de vaststellingen van het hof die erop duiden dat er steeds een hennepkwekerij in het gehuurde pand is gesitueerd, terwijl de gedingstukken niets inhouden waaruit kan volgen dat het pand (mede) een andere bestemming had.

De uitspraak op rechtspraak.nl