HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1988
Aanwezigheidsrecht van in Duitsland gedetineerde verdachte. Nadat de zaak op verzoek van de raadsman in januari was aangehouden i.v.m. detentie van de verdachte in Duitsland die aldus de brief van de raadsman “in ieder geval zal voortduren tot mei a.s.” doet de gemachtigde raadsman op de terechtzitting van 24-6-04 een verzoek tot aanhouding i.v.m. de nog voortdurende detentie. Het hof wijst dat verzoek af. Dat oordeel is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het hof niets heeft vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee zou zijn gemoeid, terwijl bij de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verleend uitstel in beginsel voor rekening van de verdachte zal komen. Aan een en ander doet niet af dat de raadsman op de terechtzitting uitdrukkelijk gemachtigd was door de verdachte om de verdediging te voeren (HR NJ 2005, 229).