HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8800
Krachtens het begrip van heling - een begunstigingsmisdrijf - moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling als genoemd in art. 416.1 Sr begaat t.a.v. een voorwerp dat hij zelf door enig misdrijf heeft verkregen, aan diens veroordeling wegens heling in de weg staat. Indien dit laatste uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk wordt, is een veroordeling t.z.v. heling uitgesloten (HR NJ 2002, 128). De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dwingt niet tot de gevolgtrekking dat het verdachte zelf is geweest die de desbetreffende geldbedragen door misdrijf heeft verkregen. Het hof heeft dat kennelijk ook niet aannemelijk geacht. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat door of namens verdachte in feitelijke aanleg op die omstandigheid een beroep is gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl