HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049

Beklagzaak betreffende onder derde gelegd conservatoir beslag ex art 94a Sv; toepassing art. 94a.3 Sv. 1. Voorzover aan het middel ten grondslag ligt dat uit het pv dan wel uit de beschikking moet blijken dat andere belanghebbenden ex art. 552a.5 Sv – zoals i.c. de verdachte X in wiens strafzaak beslag is gelegd – in kennis zijn gesteld van het door klager ingediende klaagschrift en de gelegenheid is geboden hetzij zelf een klaagschrift in te dienen, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord, stelt het een eis die het recht niet kent. Voldoende is dat zulks uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid. 2. Voorzover het middel klaagt dat uit de aan de HR gezonden stukken van het dossier niet kan worden afgeleid dat t.a.v. X is voldaan aan art. 552a.5 Sv, mist klager daarbij belang, terwijl voorts de positie van X i.c. door het gestelde verzuim niet kan zijn geschaad (HR NJ 1996, 383 en HR NJ 2002, 616. Anders dan in HR LJN AO6495 doet zich hier geen uitzonderlijke situatie voor waarin de positie van enige belanghebbende ex art. 552a.4 Sv de HR aanleiding zou moeten geven tot vernietiging van de bestreden beschikking. 3. De rb heeft toepassing gegeven aan art. 94a.3 Sv. Overwegende dat de personenauto “mogelijk” van misdrijf afkomstig is, heeft de rb kennelijk en – in aanmerking genomen dat t.t.v. haar beoordeling nog geen onherroepelijke uitspraak was gedaan in de strafzaak in verband waarmee het beslag is gelegd – niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat het begaan zijn van het vermoedelijke misdrijf ex art. 94a.3.a Sv nog niet vaststond. 4. De rechter dient v.w.b. art. 94a.3.c Sv te beoordelen of de beslagene t.t.v. het aan hem gaan toebehoren wist dan wel “gezien de omstandigheden op de gedachte had moeten komen dat de legale herkomst van het voorwerp twijfelachtig is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen