HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7588

Onder “bestuurder” ex art. 163.1 en 2 WVW 1994 moet worden verstaan degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld i.s.m. art. 8 WVW 1994. Het gaat dus om de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid kan worden vermoed dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat de verdenking die bij de verbalisanten ontstond toen zij verdachte op de bestuurdersplaats van zijn met draaiende motor op de openbare weg stilstaande motorvoertuig aantroffen, gerechtvaardigd was. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen