HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564
Rechtshulpverzoek Oekraïne tot inbeslagneming: vereiste van dubbele strafbaarheid. Art. 552o.2 Sv, zoals deze bepaling luidde t.t.v. de inbeslagneming, houdt in dat aan een buitenlands verzoek tot inbeslagneming slechts kan worden voldaan als het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, ware het in Nederland begaan, tot inbeslagneming had kunnen leiden en bedoeld feit voorts aanleiding had kunnen geven tot uitlevering aan de verzoekende Staat. Dat laatste is ex art. 2 EUV het geval als het feit krachtens de wetten van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar. Het in deze bepaling neergelegde vereiste van dubbele strafbaarheid vergt niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen. Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan gezegd worden dat een wettelijk bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl