HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663
Beslissing op (voor de terechtzitting ontvangen) aanhoudingsverzoek ex art. 278.3 Sv van verdachte of gemachtigde raadsman. Uit de art. 278.3 en 4, 329, 330 en 331.1 Sv volgt dat op een verzoek van verdachte ex art. 278.3 Sv ter terechtzitting moet worden beslist, nadat het OM omtrent dat verzoek is gehoord, en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de ex art. 279.1 Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het pv van de terechtzitting op straffe van nietigheid een gemotiveerde en uitdrukkelijke beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds verdachte en van hetgeen voor hem op het spel staat en anderzijds van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopige oordeel (van het gerecht) omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het pv van de terechtzitting te worden vastgelegd. Het ontbreken daarvan leidt i.c. tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl