HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4351

Opnemen telecommunicatie ex art. 126m en 126l Sv en beoordelingskader OvJ, RC en zittingsrechter. 1. De OvJ is bevoegd tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel. De RC dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat in eerste instantie ter beoordeling van de OvJ of sprake is van een verdenking a.b.i. art. 126m.1 Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De RC dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de RC tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de RC in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Voorts omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de OvJ vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en ook overigens rechtmatig is. 2. Het hof heeft geoordeeld dat de RC o.g.v. de inhoud van de vordering en de daarbij overgelegde startnota in redelijkheid tot het afgeven van de machtiging heeft kunnen komen. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat (i) de RC bij de beantwoording van de vraag of sprake was van een misdrijf a.b.i. art. 126m (oud) Sv, meer in het bijzonder of dat misdrijf gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, niet gebonden was aan de door de OvJ in de vordering vermelde kwalificatie, maar dat het hem vrijstond te onderzoeken of de in de startnota vervatte feiten en omstandigheden ook verdenking t.z.v. andere misdrijven kon rechtvaardigen; (ii) de RC bij de beantwoording van de vraag of van een ernstige inbreuk op de rechtsorde sprake was mede de, uit de startnota blijkende, concrete omstandigheden waaronder de misdrijven waren gepleegd in aanmerking mocht nemen; en (iii) dat de RC o.g.v. de inhoud van de startnota en van de aard van de daaruit voortvloeiende verdenkingen in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat aan het subsidiariteitsvereiste was voldaan. ’s Hofs oordelen zijn onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen