HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3643
Zich ontdoen van gevaarlijke – seleen houdende – afvalstoffen. 1. Het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (1997) (oud) is wat betreft de i.c. relevante stoffen, te weten stoffen waarin zich seleen bevindt in een hogere dan de toegestane concentratie, niet gegrond op art. 1.1.10 (oud) Wm, maar op art. 1.1.1 (oud) Wm. De strekking van dit Besluit was niet bepaalde stoffen als afvalstof aan te wijzen, doch – in overeenstemming met Richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen – te bepalen of bepaalde afvalstoffen gelet op hun samenstelling moeten worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstoffen. 2. De definitie van het begrip “afvalstoffen” in de Wm week tot de inwerkingtreding van de Wet structuur beheer afvalstoffen tekstueel enigszins af van die van de bij Richtlijn 91/156/EEG gewijzigde Richtlijn 75/442/EEG. Dat hing daarmee samen dat de in de nationale regeling gebruikte term “verwijderen” een ruimere betekenis had dan in de bij Richtlijn 91/156/EEG gewijzigde Richtlijn 75/442/EEG, en mede omvatte hetgeen in die Richtlijn onder beheer is begrepen. Nog afgezien daarvan dat de rechter bepalingen van een nationale regeling richtlijnconform dient uit te leggen, had de in de Wm opgenomen definitie ook naar de bedoeling van de wetgever hetzelfde bereik als de in de Richtlijn gebezigde begrippen beheer en verwijdering. 3. ’s Hofs uitspraak behelst i.s.m. art. 358.3 Sv geen uitdrukkelijke beslissing op het verweer dat vóór inwerkingtreding van de Wet structuur beheer afvalstoffen, kwalificatie van een feit als opzettelijke overtreding van art. 10.30.1 Wm niet mogelijk was, voorzover de destijds in de definitie van het begrip afvalstoffen opgenomen zinsnede “met het oog op de verwijdering daarvan” niet is opgenomen in de tenlastelegging en bewezenverklaring. Dit verzuim leidt niet tot cassatie omdat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen term “afvalstoffen”, naar het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, aldaar is gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan – overeenkomstig Richtlijn 75/442/EEG – toekomt in art. 1.1.1 (oud) Wm. 4. Het in art. 1.1 Sr verankerde legaliteitsbeginsel is ook belichaamd in art. 7.1 EVRM en art. 15.1 IVBPR. De aard en inhoud van de aan de i.c. toepasselijke voorschriften (omvattende het begrip “afvalstoffen”) ten grondslag liggende norm maakt enerzijds een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk, terwijl anderzijds die voorschriften voldoende concreet zijn om betrokkene in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen. 5. ’s Hofs oordeel dat de als veegvuil aangeduide stoffen moeten worden aangemerkt als afvalstoffen ex art. 1.1.1 (oud) Wm is onjuist noch onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het veegvuil – waarvan een deel was vermengd met en vervuild door vismeel – geen stof was waarvan de productie door X BV (waarvan verdachte directeur was) was beoogd en evenmin dat sprake was van een bijproduct waarvan hergebruik zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces zeker was. De verwerping van het verweer dat verdachte niet wist en ook niet behoefde te weten dat het veegvuil een afvalstof was, is niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat in feitelijke aanleg niet gespecificeerd is aangevoerd dat, en zo ja wat verdachte, zijnde een professionele marktdeelnemer, heeft gedaan om zich te laten informeren omtrent de vraag of het veegvuil als (gevaarlijke) afvalstof moest worden aangemerkt en over de beperkingen waaraan zijn gedragingen waren onderworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl