HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2968
OM-cassatie. De rb verklaarde in appèl de OvJ niet-ontvankelijk in zijn vordering GVO tegen NN-verdachte omdat die vordering uitsluitend het stuiten van de verjaring tot doel had en de OvJ aldus bewust zijn bevoegdheid had gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. 1. Het instituut van de verjaring steunt van oudsher o.m. op de gedachte dat het in de regel na een bepaald tijdsverloop niet meer nodig zal zijn met vervolging en bestraffing te reageren op de door het strafbare feit veroorzaakte verstoring van de rechtsorde. Art. 72.1 Sr bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door iedere daad van vervolging mits die daad de vervolgde bekend of betekend is. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken, waaraan de wet het rechtsgevolg van stuiting verbindt, brengt het OM als zijn oordeel tot uiting dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. Daarnaast steunt het instituut van de verjaring op het ervaringsgegeven dat door tijdsverloop het bewijs kan vervagen. Dat geldt echter niet voor technisch bewijsmateriaal als DNA-profielen. I.c. is de mogelijkheid om de dader van het misdrijf (een 11-jarige jongen is in 1986 misbruikt en door verstikking om het leven gebracht) te traceren ondanks de vele jaren die zijn verstreken, niet illussoir dankzij nieuwe ontwikkelingen in de DNA-techniek, waarmee in 2000 een volledig DNA-profiel kon worden vastgesteld van het destijds aangetroffen celmateriaal. Dat de OvJ i.c. zijn bij wet gegeven bevoegdheden aanwendt om de verjaring te voorkomen, levert geen misbruik van bevoegdheid op. Voorts is diens vordering niet van iedere grond ontbloot, in aanmerking genomen dat van de vermoedelijke dader een volledig DNA-profiel bekend is en deze in zoverre is geïdentificeerd, zodat ingeval de personalia van verdachte bekend worden, nadere onderzoekshandelingen kunnen worden verricht. 2. Het instellen van een vordering GVO is een daad van vervolging ex art. 72.1 Sr. Of deze daad de verjaring van het recht tot strafvervolging stuit, is afhankelijk van de overige eisen ex art. 72.1 Sr. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat indien en zodra aan deze vereisten is voldaan, de stuiting met terugwerkende kracht rechtsgevolg heeft (HR NJ 1999, 179). Het oordeel van de rb dat het instellen van de onderhavige vordering niet tot stuiting van de verjaring kan leiden, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De uitspraak op rechtspraak.nl