HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2729

Profijtontneming; overgangsrecht. De Wet aanpassing ontnemingswetgeving bevat m.b.t. art. 36e.4 Sr en art. 577b Sv in hun samenhang beschouwd een wijziging van procesrechtelijke aard, omdat het hierbij vooral gaat om de vraag in welke fase van het geding en onderwelke omstandigheden de draagkracht met vrucht aan de orde kan worden gesteld. In beginsel dient dit te geschieden in de executiefase en wel ex art. 577b Sv (iwtr. 01-09-03) dat van toepassing is op na die datum ingediende vorderingen en verzoekschriften. Daarbij geldt niet meer de beperking dat de omstandigheden waarop de betrokkene zich beroept, zich na de uitspraak in het ontnemingsgeding moeten hebben voorgedaan of dat deze de rechter t.t.v. de uitspraak niet (volledig) bekend waren. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de onderhavige wijzigingen van toepassing zijn bij de behandeling van zaken na het tijdstip van iwtr. van deze wet. I.c. zijn de huidige art. 36e Sr en 577b Sv van toepassing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen