HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802

Voor veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ex art. 285 Sr is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. ’s Hofs oordeel dat bij het slachtoffer (een beveiligingsbeambte) door de uitlating “Ik onthou je gezicht en als je in burger loopt dan pak ik je” voormelde redelijke vrees kon ontstaan, is onjuist noch onbegrijpelijk, mede gelet op de kort daarvoor door verdachte jegens een collega van het slachtoffer geuite bedreiging tegen diens leven gericht (“Jij gaat mij niet aanspreken, anders steek ik je neer”) waarvan het slachtoffer kennis droeg.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen