HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5881
Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase leidt niet tot strafvermindering omdat de opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar zijn aard niet voor vermindering leent. Het betoog dat ook in een geval als het onderhavige art. 13 EVRM bij termijnoverschrijding noopt tot strafvermindering, is onjuist. Verdachte heeft zich immers, zoals art. 13 voorschrijft, met zijn klacht tot de rechter kunnen wenden die daarop ook een antwoord heeft gegeven. Art. 13 staat er niet aan in de weg dat de rechter, indien de omstandigheden hem daartoe aanleiding geven, het door de verdachte geleden nadeel voldoende gecompenseerd acht door de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden (EHRM 10-02-2005, Uhl v. Germany, no. 64387/01). Conclusie AG bevat o.m. bespiegelingen omtrent straf naar de mate van schuld en levenslange gevangenisstraf in geval van verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl