HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556
OM-cassatie betreffende de toepassing van art. 63 Sr. Na veroordeling tot 20 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen moord wordt verdachte schuldig verklaard aan vóór die veroordeling gepleegde gewapende overvallen en wordt hem te dier zake geen straf of maatregel opgelegd. Art. 63 jo art. 57.2 Sr strekt ertoe het maximum van de vrijheidsstraf die de tweede rechter kan opleggen te beperken en niet daartoe dat die rechter in het gegeven geval een hogere straf zou kunnen opleggen dan de maximumstraf die t.z.v. de door hem berechte feiten kan worden toegepast. De tweede rechter, die voor het door hem berechte feit in de eerste plaats gebonden is door het daarvoor geldende strafmaximum – zulks in het gegeven geval met toepassing van de samenloopbepalingen – wordt voorts met een nadere beperking van zijn straftoemetingsvrijheid betreffende vrijheidsstraffen geconfronteerd. Hij zal immers rekening moeten houden met de strafbare feiten t.z.wv. de eerste rechter verdachte heeft veroordeeld en met de door deze opgelegde straf in die zin dat: a) moet worden nagegaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl b) hij geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de door de eerste rechter opgelegde straf. I.c. kon het hof t.z.v. de gewapende overvallen geen levenslange gevangenisstraf opleggen omdat die feiten zijn bedreigd met een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 16 jaar, terwijl, nu verdachte voor de moord tot de gelet op art. 10.4 Sr maximale tijdelijke gevangenisstraf van 20 jaar was veroordeeld, art. 63 jo art. 57 Sr meebrengt dat het hof aan verdachte geen gevangenisstraf meer kon opleggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl