HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2500

Noodweer(exces). In het verweer wordt uitgegaan van één voortdurende wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het latere slachtoffer, die niet effectief door diens zoon X is onderbroken, en van twee steken die verdachte het slachtoffer tijdens die aanranding bijna in één beweging heeft toegebracht. Het hof heeft vastgesteld dat, gelet op de door het hof geloofwaardig bevonden en ten dele ondersteunde verklaring van X, er wel sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding doch dat deze door tussenkomst van X is beëindigd en dat zijn vader toen nog geen verwondingen had, terwijl X toen ook geen mes heeft gezien. In dit feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel ligt besloten dat het hof niet in het midden heeft gelaten hoe de fatale steekpartij heeft plaatsgevonden, doch dat het niet aannemelijk heeft geacht de in zoverre van het voorgaande afwijkende lezing van de verdediging en m.n. niet de stelling dat direct vóór de door verdachte toegebrachte messteken (nog) sprake was van een wederrechtelijke aanranding. Voorts heeft het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat er door de aanval van het slachtoffer bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan die tot verdachtes handelen heeft geleid.

De uitspraak op rechtspraak.nl