HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8428

Aanwezigheidsrecht. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman om de in Duitsland gedetineerde verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn, levert een duidelijke aanwijzing op dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. 's Hofs afwijzing van dat verzoek is, gelet op de omstandigheden van het geval, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof niets heeft vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee zou zijn gemoeid, terwijl bij de bepaling van de redelijke termijn een verleend uitstel van de behandeling in beginsel voor rekening van verdachte zal komen. Daaraan doet niet af dat de raadsman op de terechtzitting uitdrukkelijk gemachtigd was (HR NJ 2004, 663) en evenmin dat verdachte het tenlastegelegde heeft bekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen