HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619

Daderschap van een rechtspersoon. De verbodsbepaling van art. 3 Regeling technische maatregelen 2000 inzake het aanbrengen van voorzieningen aan netten die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, richt zich tot een ieder. Ex art. 51 Sr kan de overtreding van dat verbod worden begaan door zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, zoals verdachte. Verdachte kan als medepleger van die overtreding worden aangemerkt indien het feit aan haar, als medepleger, redelijkerwijze kan worden toegerekend. ’s Hofs oordeel dat het feit aan verdachte kan worden toegerekend in voormelde zin, is onjuist noch onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat (i) het uitoefenen van de zeevisserij tot de normale bedrijfsvoering van verdachte behoort en dat in dat kader anderen, bemanningsleden, ingevolge de tussen hen en verdachte bestaande rechtsverhouding m.b.v. de viskotter van verdachte en mede t.b.v. verdachte de zeevisserij (feitelijk) hebben beoefend, en (ii) op de in de bewezenverklaring genoemde dag verscheidene bemanningsleden de netten visklaar hebben gemaakt, waarbij touwtjes zijn aangebracht, alvorens de schipper heeft bevolen de netten in het water te laten zakken, welke werkwijze al gedurende de hele reis werd toegepast en welke – verboden – wijze van vissen mede de verdachte dienstig is geweest, nu het hof aannemelijk heeft geacht dat daardoor meer vis kan worden gevangen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen