HR 15 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3260

1. Horen getuigen en art. 6 EVRM. 2. Poging vrijheidsberoving. Ad 1. Het hof heeft het betoog van de raadsman niet opgevat als een getuigenverzoek ex art. 328 jo. 331.1 Sv. Dat is, mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om uitlatingen van een rechtsgeleerd raadsman, niet onbegrijpelijk. Art. 6 EVRM – ook in de uitleg die daaraan is gegeven in EHRM NJ 2002, 378 – staat i.c. niet in de weg aan het gebruik van de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van de betreffende getuigen. De HR neemt daarbij in aanmerking dat niet blijkt dat de verdediging het initiatief heeft genomen hen als getuigen te doen oproepen (HR LJN AA5442 en HR NJ 1994, 427). De verklaringen van deze getuigen vormen niet de enige bewijsmiddelen waaruit de rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde kan volgen, terwijl ook overigens t.a.v. deze verklaringen zich niet de situatie uit HR NJ 1994, 427, rov. 6.3.3 sub iii-2 voordoet. ’s Hofs oordeel dat i.c. ook de beginselen van een behoorlijke procesorde niet meebrengen dat de rechter ambtshalve de dagvaarding of oproeping van de getuigen had moeten bevelen, is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn broer zijn aan te merken als begin van uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf – het opzettelijk hun zus van de vrijheid beroven en/of beroofd houden – omdat die gedragingen (o.m. stelselmatig zoeken naar zus, achtervolgen terwijl zij had laten weten geen contact te wensen, achter haar aanrijden en rennen en haar vastgrijpen en vast blijven houden, terwijl zij gilde dat zij dat niet wilde) naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als tezijn gericht op de voltooiing van het midrijf, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen