HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8387
Vervolgingsuitlevering aan Moldavië. 1. Of de uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten (de verdediging wees op het risico van een behandeling in strijd met art. 3 EVRM en art. 3 VN-Folteringsverdrag) is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De Overleveringswet heeft daarin geen verandering gebracht. Bij die wet is de overlevering aan Lidstaten van de Europese Unie geregeld, maar voor het uitleveringsverkeer met andere Staten blijven de Uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet van kracht. 2. Het beginsel dat bij uitleveringsverkeer tussen bij het EVRM aangesloten landen moet worden uitgegaan van vertrouwen in eerbiediging van dit verdrag kan uitzondering lijden indien blijkt van een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig de opgeëiste persoon ingevolge art. 6.1 EVRM toekomend recht, terwijl vaststaat dat deze na uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat, dat art. 1 EVRM aan uitlevering in de weg staat (HR NJ 2004, 42).
De uitspraak op rechtspraak.nl