HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0616
1. Beslissing tot splitsing van gevoegde zaken ex art. 285 lid 3 Sv; geen toetsing in cassatie. 2. Onpartijdige rechter. Hof heeft na splitsing en nadat het de ene zaak (A) had afgedaan in de andere zaken (B en C) onderzoek verricht in dezelfde samenstelling. Hoewel het hof zowel in zaak A als in zaak B de door verdachte betwiste conclusie van een spraakvergelijkend onderzoek bij de bewijsvoering heeft betrokken in casu geen schending recht op behandeling door een onpartijdige rechter. Ad 1. De beslissing tot splitsing van zaken ex art. 285 lid 3 Sv in het belang van het onderzoek is voorbehouden aan de feitenrechter en leent zich niet voor toetsing in cassatie. Ad 2. Het hof heeft na splitsing en nadat het de ene zaak (A) had afgedaan in de andere zaken (B en C) onderzoek verricht in dezelfde samenstelling. Het middel acht verdachtes vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd, omdat het hof in zaak A op grond van een deskundigenrapport (stemvergelijkend onderzoek) heeft aangenomen dat verdachte heeft deelgenomen aan in zaak A tot het bewijs gebezigde telefoongesprekken, terwijl de inhoud van een deel van de in dat rapport genoemde gesprekken deel uitmaakte van de bewijsconstructie van het OM in de zaken B en C en door het hof in die zaken ook tot het bewijs is gebezigd. HR: De enkele omstandigheid dat de onderhavige zaak tegen de verdachte (zaken B en C) in hoger beroep is behandeld door een kamer van het Hof in dezelfde samenstelling als die waarin de eerdere zaak tegen de verdachte (A) is berecht, levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook al zou een deel van de in zaak A tot het bewijs gebezigde telefoongesprekken in zaak B deel uitmaken van de bewijsredenering van het OM, levert dat geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. In zaak C spelen de telefoongesprekken en het deskundigenverslag geen rol. In zaak B zijn geen telefoongesprekken voor het bewijs gebruikt die in zaak A zijn gebruikt. Dat het hof zowel in zaak A als in zaak B de door verdachte betwiste conclusie van het NFI-rapport betreffende het spraakvergelijkend onderzoek bij de bewijsvoering heeft betrokken, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat het hof zich jegens verdachte reeds een oordeel had gevormd over de bewezenverklaring van en zijn schuld aan de onderhavige strafbare feiten, noch dat het zich vooringenomen heeft betoond jegens verdachte of dat de bij verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was.
De uitspraak op rechtspraak.nl