HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD5797

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vragen: 1. Moet een personenauto die aan een natuurlijk persoon ter beschikking is gesteld door zijn werkgever en door hem zowel voor beroepsdoeleinden als voor particuliere doeleinden wordt gebruikt, worden aangemerkt als een persoonlijk goed in de zin van artikel 1, lid 2, letter c, van Verordening(EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen? 2. Moet het bepaalde in artikel 3, letter a, van die verordening, inhoudende dat een goed ten minste zes maanden vóór de datum waarop een belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven in zijn bezit is geweest, aldus worden uitgelegd dat de belanghebbende die een zaak, al dan niet tegen een vergoeding, in het kader van het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de eigenaar van de zaak ter beschikking heeft gekregen, die zaak bezit in de zin van voormelde bepaling? 3. Is het voor het antwoord op vraag 2 van belang of de belanghebbende gedurende de gehele periode van zes maanden het recht heeft de personenauto te kopen?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen