HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8461

18 oktober 2002 Eerste Kamer Nr. C01/237HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. TWM BEHEER B.V., 2. TWM GRONDEN B.V. beide gevestigd te Tilburg, EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n BRABANT WATER N.V., voorheen genaamd: N.V. WATERLEIDINGMAATSCHAPPIJ OOST-BRABANT, gevestigd te 's-Hertogenbosch, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: Brabant Water - heeft bij exploit van 17 augustus 1999 eiseressen tot cassatie - verder te noemen: TWM c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en een lijstprocedure als bedoeld in art. 28 Waterleidingwet (hierna: WLW) ingesteld. TWM c.s. hebben primair de vordering bestreden en subsidiair zich beroepen op de onbevoegdheid van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Zij hebben tevens in reconventie gevorderd, na vermeerdering van eis (in verband met na te noemen vermindering van de eis in conventie van Brabant Water): te verklaren voor recht dat geen van de eiseressen tot cassatie "eigenaar van een waterleidingbedrijf" als bedoeld in de WLW is, en dat mitsdien Brabant Water niet bevoegd is tegen één van de eiseressen tot cassatie een vordering in te stellen als bedoeld in art. 28 WLW als nader omschreven in het petitum van de inleidende dagvaarding;

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen