HR 21 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3569

Centrale Raad van Beroep legt juiste maatstaf aan door feitelijke woonsituatie doorslaggevend te achten voor het oordeel omtrent hoofdverblijf als bedoeld in art. 3, derde lid Awb. Het middel keert zicht tegen het oordeel van de Centrale Raad dat belanghebbende en C in de hier van belang zijnde periode geen gezamenlijke huishouding voerden omdat C toen niet zijn hoofdverblijf had in dezelfde woning als belanghebbende. Redengevend voor het oordeel van de Centrale Raad over het hoofdverblijf van C is het oordeel dat deze in de van belang zijnde periode elders een appartement huurde, daarin apart van belanghebbende leefde, een eigen huishouding voerde en overnachtte gedurende de weken en de weekends dat hij daar als beroepsmilitair werkte. Daarbij heeft de Centrale Raad de omstandigheid dat C gedurende vakanties en weekends waarin hij niet behoefde te werken, regelmatig in de woning van belanghebbende verbleef, onvoldoende geacht om te oordelen dat hij in die woning feitelijk zijn hoofdverblijf had. De Centrale Raad heeft, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 Abw (zie met name Kamerstukken II 1993/94, 22 545, nr. 18, blz. 37 en 87), de juiste maatstaf aangelegd. Blijkens de in de Nota van wijzigingen gegeven toelichting is immers de feitelijke woonsituatie doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De in het middel vervatte rechtsklacht, die ervan uitgaat dat men zijn hoofdverblijf in de zin van art. 3 Abw heeft daar waar "de kern van het sociale (waaronder begrepen het economische) leven" is gelegen, faalt derhalve. Centrale Raad van Beroep. mrs. E. Korthals Altes, A.G. Pos, P.J. van Amersfoort

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen