HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1290

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op waardevolle goederen (beeldjes, sieraden, computer en geluidsapparatuur) in woning van klaagster i.h.k.v. strafrechtelijk financieel onderzoek tegen ander (verdachte), met wie klaagster samenleeft. Beoordeling conservatoir beslag bij mogelijke mede-eigendom van derde i.g.v. gemeenschappelijke huishouding. Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard op de grond dat niet kan worden uitgesloten dat klaagster samen met ander een economische eenheid vormde en er sprake was van gemeenschappelijke huishouding, zodat niet valt uit te sluiten dat inbeslaggenomen goederen mede aan die ander in eigendom toebehoorden. Overweging Rb moet aldus worden verstaan dat weliswaar niet buiten redelijke twijfel staat dat klaagster enig eigenaar is van de onder haar inbeslaggenomen voorwerpen, maar dat wel moet worden aangenomen dat zij tenminste samen met ander mede-eigenaar is. Gelet daarop heeft Rb zonder blijk te geven van onjuiste rechtsopvatting haar beschikking toereikend gemotiveerd. Oordeel Rb komt er immers op neer dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat eventueel aan ander op te leggen betalingsverplichtingen kunnen worden verhaald op diens aandeel in inbeslaggenomen voorwerpen en dat deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid voor nakoming van zodanige verplichtingen. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen