HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0980

OM-cassatie. Vrijspraak verkrachting, art. 242 Sr. Is er sprake van “dwingen” a.b.i. art. 242 Sr, nu slaapdronken aangeefster door misleiding - verdachte doet zich voor als partner - handelingen toelaat? Van “dwingen” a.b.i. art. 242 Sr kan slechts sprake zijn indien verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat slachtoffer in art. 242 Sr bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan (vgl. HR NJ 1995/201). Daarvan en dus van overtreding van art. 242 Sr is geen sprake indien slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van kant van verdachte omtrent zijn identiteit diens handelingen heeft toegelaten. Door te overwegen dat niet bewezen is dat er sprake is geweest van dwang a.b.i. art. 242 Sr, heeft Hof als zijn oordeel tot uit drukking gebracht dat hetgeen verdachte heeft verricht niet oplevert dat hij aangeefster heeft gedwongen tot ondergaan van handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit seksueel binnendringen van lichaam van aangeefster. Uit ‘s Hofs overweging blijkt derhalve niet dat Hof bij zijn beraadslaging en beslissing is uitgegaan van onjuiste opvatting omtrent betekenis die aan begrip "dwingen" a.b.i. art. 242 Sr moet worden toegekend. Uit het voorgaande volgt dat Hof grondslag van tll. niet heeft verlaten en niet van iets anders heeft vrijgesproken dan was tlgd. Ook overigens blijkt niet van enige omstandigheid op grond waarvan vrijspraak zou zijn aan te merken als andere dan zodanige waarop in art. 430.1 Sv wordt gedoeld. PG n-o in cassatieberoep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen