HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9557

Opruiing, art. 131 Sr. 1. Heeft verdachte (ten aanzien van wie voorlopige hechtenis is bevolen) in h.b. raadsman gehad? Art. 41.1.b Sv. 2. Is voor geldigheid dagvaarding van op art. 131 Sr toegesneden tll. vereist dat strafbaar feit waartoe is opgeruid wordt aangewezen? Ad 1. HR ambtshalve: Ex art. 41.1.b Sv wordt aan verdachte die geen raadsman heeft, door bureau rechtsbijstandvoorziening raadsman toegevoegd wanneer h.b. is ingesteld tegen eindvonnis in e.a. en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van voorzitter van hof. Bij stukken van geding bevinden zich bevel tot bewaring van verdachte en door President van Hof gegeven last tot toevoeging van mr. A als raadsman aan verdachte. Stukken bevatten echter niets waaruit kan volgen dat mr. A ook daadwerkelijk als raadsman aan verdachte is toegevoegd. Uit stukken van geding blijkt niet dat in h.b. advocaat zich als raadsman heeft gesteld, terwijl daaruit evenmin blijkt dat toevoeging zoals hiervoor bedoeld van (andere) raadsman heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte in die aanleg geen raadsman heeft gehad. In belang van verdachte gegeven voorschrift vervat in art. 41.1.b Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, niet nakoming daarvan geacht moet worden aan geldige behandeling van tz. in de weg te staan. Bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Ad 2. V.zv. middel ervan uitgaat dat in tll. feitelijke omschrijving van "enig strafbaar feit" ontbreekt, berust het op onjuiste lezing van die tll. en mist het derhalve feitelijke grondslag. Opvatting dat voor geldigheid van dagvaarding die op art. 131 Sr toegesneden tll. behelst, is vereist dat in die tll. strafbaar feit onderscheidenlijk strafbare feiten waartoe is opgeruid met name moet(en) worden aangewezen, is onjuist. Volgt vernietiging en verwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen