HR 17 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0248
Medeplichtigheid aan medeplegen poging tot afpersing met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art. 317.1 en 317.3 jo. 312.2 Sr en begunstiging, art. 189.1.1 Sr. 1. Afwijzing van bij pleidooi gedaan verzoek tot horen van 3 getuigen op de grond dat noodzakelijkheid van verzochte niet is gebleken. 2. Beroep op strafuitsluitingsgrond van art. 189.2 Sr. Heeft hof te beperkte uitleg gegeven aan strafuitsluitingsgrond, nu 's hofs gedachtegang daarop neerkomt dat ‘’iedere gezamenlijke vlucht na strafbaar feit nog eens apart strafbaar feit van art. 189 Sr oplevert’’. Ad 1. Hof heeft juiste maatstaf aangelegd. ’s Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat de door getuigen tegenover politie afgelegde verklaringen m.b.t. aandeel van verdachte in feitencomplex in grote lijnen met elkaar overeenstemmen en dat uit die verklaringen niet valt af te leiden dat een of meer van die getuigen zijn eigen aandeel in die feiten geringer heeft willen voorstellen door aandeel van verdachte te overdrijven, geeft niet blijk van miskenning van die maatstaf en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Ad 2. 's Hofs oordeel dat het hier om 2 afzonderlijke strafbaar gestelde feiten gaat, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk. In 's hofs verwerping van gevoerd verweer ligt diens feitelijke en in het licht van gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijke gevolgtrekking besloten dat verdachte de daders van poging tot afpersing (t.a.v. wie hof klaarblijkelijk heeft aangenomen dat zij niet behoorden tot in art. 189.2 Sr genoemde categorieën van personen) in zijn auto heeft meegenomen van plaats van misdrijf, niet alleen om die daders behulpzaam te zijn a.b.i. art. 189.1.1 Sr maar tevens om aldus voor zichzelf gevaar van vervolging te ontgaan. Gelet op wetsgeschiedenis bij art. 189 Sr moet worden aangenomen dat wetgever art. 189.2 Sr eveneens van toepassing heeft willen doen zijn op degene die in art. 189.1.1 Sr vermelde handelingen verricht, mede ten einde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan. Gelet op strekking van art. 189 Sr moet worden aangenomen dat, nu verdachte bewezenverklaarde handeling tevens heeft verricht ten einde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan, art. 189.2 Sr meebrengt dat art. 189.1 Sr niet van toepassing is. 's Hofs verwerping van gevoerd verweer berust in zoverre dus op onjuiste rechtsopvatting. Aangezien bewezenverklaarde niet bij enige andere bepaling strafbaar is gesteld, had hof de verdachte te dier zake moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. HR doet zaak in zoverre zelf af door verdachte t.z.v. dit bewezenverklaarde feit te ontslaan van alle rechtsvervolging Volgt partiële vernietiging en verwijzing t.a.v. strafoplegging. CAG: anders t.a.v. begunstiging.
De uitspraak op rechtspraak.nl