HR 10 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC1452

Wet Mulder. OM-cassatie. Administratieve sanctie t.z.v. parkeren op stoep. Nadat OvJ beroep van betrokkene tegen inleidende beschikking van CJIB waarbij administratieve sanctie is opgelegd ongegrond heeft verklaard, heeft Ktr beroep tegen beslissing OvJ gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Kan OvJ in zijn cassatieberoep worden ontvangen, nu OvJ in zijn ex art. 10 WAHV gemaakte opmerkingen heeft geconcludeerd dat inleidende beschikking dient te worden vernietigd? 2. Welke gevolgen dienen te worden verbonden aan overschrijding van de in art. 4.2 WAHV voor toezending van inleidende beschikking voorgeschreven termijn van 3 maanden? Ad 1. In aanmerking genomen dat bij bestreden uitspraak de beslissing van OvJ is vernietigd en gelet op hetgeen door OvJ ter zitting van Ktr is aangevoerd, brengt enkele omstandigheid dat OvJ in zijn ex art. 10 WAHV gemaakte opmerkingen heeft geconcludeerd dat inleidende beschikking dient te worden vernietigd, niet mee dat hij niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Ad 2. Hoewel toezending van beschikking in het in laatste volzin van art. 4.2 WAHV (zoals dat gold vóór wetswijziging van 1-1-1994) bedoelde geval niet uitdrukkelijk aan termijn is gebonden, moet worden aangenomen dat ook in dat geval een termijn geldt van 3 maanden. In art. 4.2 WAHV (zoals dat luidt sedert 1-1-1994) is dan ook tot uitdrukking gebracht dat toezending van beschikking in alle gevallen dient te geschieden binnen 3 maanden nadat gedraging heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat voor beantwoording van hiervoor bedoelde vraag geen onderscheid behoeft te worden gemaakt al naar gelang art. 4.2 (oud) WAHV dan wel sedert 1-1-1994 geldend art. 4.2 WAHV van toepassing is. In aanmerking genomen a) dat opleggen van een bij WAHV voorziene administratieve sanctie moet worden aangemerkt als strafvervolging a.b.i. art. 6.1 EVRM en b) dat het bij constatering van gedragingen a.b.i. art. 2 WAHV niet steeds mogelijk is betrokkene staande te houden en deze er aanstonds van op de hoogte te stellen dat sanctie zal worden opgelegd, moet worden aangenomen dat wetgever met opneming in art. 4.2 WAHV van termijn van 3 maanden heeft beoogd onaanvaardbare vertraging bij oplegging van sanctie en daartegen in WAHV voorziene procedures tegen te gaan en tevens heeft willen bewerkstelligen dat in hiervoor onder b bedoelde gevallen de inleidende beschikking de betrokkene bereikt binnen zodanige termijn, gerekend vanaf tijdstip waarop gedraging is geconstateerd, dat hij redelijkerwijs geacht moet worden te kunnen nagaan op welke gedraging die beschikking betrekking heeft. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld, zoals Ktr heeft gedaan, dat inleidende beschikking in de regel moet worden vernietigd in geval deze niet binnen 3 maanden na gedraging aan betrokkene is toegezonden, zulks wegens een in die termijn besloten waarborg. Met hiervoor weergegeven interpretatie spoort wel dat overschrijding van de in art. 4.2 WAHV voorgeschreven termijn van 3 maanden slechts dan tot vernietiging van inleidende beschikking behoort te leiden, indien betrokkene door overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Dat betrokkene door overschrijding, welke i.c. 13 dagen heeft bedragen, in enige mate zou zijn geschaad is in feitelijke aanleg niet gesteld of gebleken. Uit voorgaande volgt dat Ktr van onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, zodat bestreden beslissing niet in stand kan blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen