HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284
Beklag, beslag op geldbedrag (ƒ 43.360) in woning van klaagster t.z.v. verdenking van drugshandel en deelname aan criminele organisatie, waarna vervolging van klaagster is geëindigd met kennisgeving van niet verdere vervolging en geldbedrag in strafzaak tegen haar partner verbeurd is verklaard. 1. Toepasselijkheid art. 6 EVRM op beklagprocedure. Schending art. 6.1 EVRM, nu onredelijke vertraging in rechtsgang is ontstaan sinds instellen van cassatieberoep? 2. Bevoegdheid Rb. Is Rb bevoegd, nu tegen vonnis waarbij inbeslaggenomen geld verbeurd is verklaard h.b. is ingesteld? Ad 1. In het midden kan blijven of art. 6.1 EVRM betrekking heeft op afdoening van klaagschrift, waarin wordt geklaagd over uitblijven van last tot teruggave van onder klaagster inbeslaggenomen, haar in eigendom toebehorend geldbedrag. Immers, in aanmerking genomen dat stukken van geding niets inhouden waaruit ernstig vermoeden moet voortvloeien van enig bijzonder belang van klaagster op grond waarvan i.c. anders zou moeten worden geoordeeld - in middel vermelde omstandigheden kunnen niet als zodanig gelden - kan tijdsverloop van ongeveer anderhalf jaar tussen instellen van cassatieberoep en beslissing daarop niet meebrengen dat recht van klaagster op behandeling van zaak binnen redelijke termijn en zonder onredelijke vertraging is geschonden. Omstandigheid dat stukken griffier HR eerst bijna acht maanden na datum van bestreden beschikking hebben bereikt doet daaraan niet af. Ad 2. In aanmerking genomen dat - naar Rb heeft vastgesteld - tegen vonnis waarbij inbeslaggenomen geld verbeurd is verklaard h.b. is ingesteld en bij dat vonnis uitgesproken verbeurdverklaring t.t.v. bestreden beschikking nog niet uitvoerbaar was geworden, had klaagschrift ex art. 552a.2 Sv moeten worden ingediend ter griffie van gerecht in feitelijke aanleg waarvoor zaak werd vervolgd of het laatst werd vervolgd, te weten desbetreffend Hof. Gelet op die vaststellingen had Rb zich mitsdien onbevoegd moeten verklaren om van klaagschrift kennis te nemen. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien gerecht waarbij klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv is ingediend constateert dat het - gelet op art. 552a.2 en 552a.3 Sv - niet bevoegd is tot afdoening daarvan, dit gerecht bepaalt dat griffier stukken zal zenden naar bevoegd gerecht. HR zal in zoverre doen wat Rb had behoren te doen. Redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat, indien gerecht dat bevoegd is tot afdoening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv constateert dat, sedert indiening daarvan, desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer, dit klaagschrift moet worden opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Indien dat gerecht, gelet op art. 552b.2 Sv, niet bevoegd is tot behandeling van aldus opgevat klaagschrift, dient het te bepalen dat griffier stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. HR verklaart Rb onbevoegd en bepaalt dat stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar Hof.
De uitspraak op rechtspraak.nl