HR 18 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1610

Moord (art. 289 Sr) en verkrachting, meermalen gepleegd (art. 242 Sr). 1. Eigen waarneming van rechter als b.m., art. 340 Sv. Kon Hof in aansluiting op, voor bewijs van verkrachting gebruikte, bij politie afgelegde verklaring van getuige overwegen dat Hof ttz. heeft waargenomen dat verdachte voldoet aan signalement dat door getuige is opgegeven? 2. Is namens verdachte verzoek strekkende tot doen verrichten van tegenonderzoek gedaan? 3. Gebruik voor bewijs van resultaat van DNA-onderzoek. Ad 1. Blijkens p-v tz. in h.b. heeft voorzitter Hof korte inhoud medegedeeld van p-v, inhoudende verklaring van getuige. Die verklaring houdt signalement in van man die getuige heeft waargenomen ten tijde waarop en in onmiddellijke omgeving van plaats waar tlgd. feit is begaan. Voor verdediging heeft mogelijkheid opengestaan aan te voeren dat en in hoeverre signalement niet op verdachte van toepassing is. Gelet hierop heeft Hof, zonder gehouden te zijn ttz. mededeling te doen omtrent zijn waarneming dat verdachte aan dat signalement voldoet, die waarneming zonder schending van o.m. art. 340 Sv en art. 6 EVRM tot bewijs kunnen bezigen. Ad 2. Hof heeft kennelijk namens verdachte aangevoerde niet als zodanig verzoek opgevat en ook niet behoeven op te vatten. Vraag wat rechtens is indien verdachte in enig stadium van opsporing of vervolging wel zodanig verzoek zou hebben gedaan, staat in dit geding niet ter beantwoording. HR merkt op dat financiële omstandigheden van verdachte aan het doen verrichten van tegenonderzoek door buitenlands laboratorium niet in de weg behoeven te staan. Door art. 16.1 en 16.3 Wet tarieven in strafzaken jo. art. 591.2 Sv is mogelijkheid tot verkrijgen van contra-expertise voor onvermogende verdachte voldoende gewaarborgd. Ad 3. Hof heeft betoog van raadsman kennelijk aldus verstaan, hetgeen het kon doen, dat raadsman - zonder te stellen dat i.c. onderzoek niet op deugdelijke wijze zou zijn verricht - in algemene termen en met beroep op wetenschappelijke literatuur heeft aangevoerd dat bij uitvoering van DNA-onderzoek betrekkelijk grote kans bestaat op maken van fouten die tot onzuiverheid van resultaat leiden en dat deze daaraan conclusie heeft verbonden dat in zaken waarin resultaat van zodanig onderzoek ‘’als enig bewijs voor een telastegelegd feit wordt aangevoerd’’ geen bewezenverklaring kan volgen. In 's Hofs overwegingen, waarin Hof verwijst naar overige gebezigde b.m. t.a.v. verkrachting, ligt besloten 's Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat door raadsman bedoelde situatie zich in deze zaak niet voordeed. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen