HR 4 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8648

Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en oplichting (art. 326.1 Sr). Voortgezette handeling, art. 56.1 Sr? Uit gebezigde b.m. heeft Hof kunnen afleiden dat bewezen verklaarde valsheid in geschrift primair is gepleegd om gemakkelijker financiering van de aankoop van een schip te kunnen verkrijgen. Hof kon overwegen dat bewezen verklaarde feiten reeds door het verschil in tijd waarop de feiten zijn begaan niet in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr, aangezien Hof er kennelijk van is uitgegaan dat bewezen verklaarde valsheid in geschrift en op het verkrijgen van te veel W.I.R.-premie gerichte oplichting van de Staat geen uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen